updated, 2004 07 07

VERTROUWEN
tijdens
de OORLOG



Lidia E van Woerden

Oranje

NL VoorwoordVOORWOORD
NL OorlogsherinneringenOORLOGSHERINNERINGEN
NL BevrijdingEN DAN IS ER DE BEVRIJDING!


NL Voor MoesVoor "onze Moe"
NL Foto's Foto's, Pictures
Ik draag dit verhaal op aan onze Moes.
Dina Hendrika van Woerden Vingerhoets. En aan alle kinderen die tijdens de tweede wereldoorlog bij ons gewoond hebben. Moe die er in geslaagd is ondanks alles ons goede, positive en gezellige herrinneringen mee te geven. Als verzetsvrouw heeft ze op 10 April 2000 postuum, de Yad Vashem onderscheiding "The Righteous Amomg the Nations" gekregen, voor het redden van vervolgde Joden. Haar naam is bijgezet in een plaquette, in de muur van de tuin der "Rechtvaadigen" van Yad Vashem in Jeruzalem. Wat mogelijk is gemaakt door de kinderen van toen; Marcel, Philip en Ruben.
Lydia
D.H. van Woerden Vingerhoets

VOORWOORD

Toen ik hoorde dat er mensen uit Israël bij mijn zuster waren geweest om over de oorlog te praten vond ik dat best interessant. Toen vervolgens bleek dat één van die mensen in die periode bij ons in huis gezeten had, vond ik dat leuk want die moet ik dan ook gekend hebben. Maar toen ik vernam dat het als een soort missie gezien werd om mensen, als onze moeder, die als verzetsvrouw erg veel voor de Joden gedaan heeft postuum te eren, toen werd het pas echt boeiend. Ik vond het dan ook geweldig dat Lidia haar herinneringen aan die tijd op ging schrijven en ik ben blij dat ik haar daarbij heb kunnen helpen.
Ik vind dat Lidia er, met het schrijven van dit verhaal, in geslaagd is onze moeder de pluim op haar hoed te steken die zij zo ontzettend verdiend heeft, ook al is het nu 50 jaar na dato.

Baarn, maart 1995
Hans † 14-02-2004



Herinneringen van mijn moeder aan de periode 1943-1945, aan haar moeder, mijn oma.
Ik heb mijn oma nooit gekend, zij overleed toen ik 2 maanden oud was.
IJsbrand

OORLOGSHERINNERINGEN




Soest-zuid, daar wonen wij precies in het midden van een driesprong aan de Oude Utrechtseweg, tegenover de hei.
Het is 21 mei 1943.
De voordeurbel gaat. Het is mijn oom uit Amsterdam, oom Daan, een broer van mijn moeder.
Wij vinden het altijd fijn als hij komt. Hij maakt grapjes en weet heel veel leuke kunstjes. Het is wel een beetje raar dat hij aanbelt, want anders komt hij altijd achterom door de keuken. Zou dat komen door die twee kinderen die hij bij zich heeft? Hij zegt tegen mijn moeder: "Kijk Dien, dit zijn Mark en Flip". Mark is drieëneenhalf en Flip is bijna twee. Flipje trekt een lip of hij wil gaan huilen. Ook Mark kijkt een beetje bang en schichtig om zich heen.
Mijn moeder tilt Flipje op en ze pakt Markjes hand. Mijn moeder is heel lief en zeker voor kinderen die zo verdrietig zijn. Ze praat zacht tegen ze.
Zo zijn de eerste onderduikertjes bij ons in huis gekomen. Marcel en Philip Staal.

-.-.-.-.-.-.-


Mijn moeder is nu ruim 2 jaar weduwe met drie kinderen. Hans, mijn jongste broertje, is pas 5 geworden. IJsbrand, mijn oudste broer, is 8 en hij ligt nu al 2 jaar in het sanatorium "Zonnegloren". Ik ben Lidia, het middelste kind en het enige meisje, ik ben 7.
siblings & mom
-.-.-.-.-.-.-


Een week nadat de broertjes Mark en Flip bij ons zijn gekomen, komt Kitty bij ons wonen. Ze is ouder dan ik maar ik vind het toch fijn dat er nu nog een meisje in huis is. Omdat Kitty er zo joods uitziet, worden haar haren met waterstofperoxyde bewerkt; daar wordt het roodblond en springerig van, waardoor ze er ineens heel anders uitziet.
Er zijn ook een paar kinderen bij ons, die in Zonnegloren gekuurd hebben, die nu weer gezond zijn, maar nog veel behoefte hebben aan gezonde boslucht. Doordat het oorlog is en niet erg veilig in de grote steden, zijn er ook kinderen uit Amsterdam en Rotterdam bij ons.
Met Hans en mij erbij zijn er nu 16 kinderen. Het blijkt een uitstekende dekmantel voor onderduikertjes te zijn. En het is het begin van het kinder huis dat later "Vertrouwen" zou gaan heten.
Als vanzelf zeggen alle kinderen Moe tegen onze moeder, waarschijnlijk omdat wij, Hans en ik, dat doen.
stoeltjes
Dan worden er op een middag twaalf kleine stoeltjes met een lage tafel bij ons afgeleverd. En de volgende dag komen er houten kinderbedjes, waarvan er wel drie op elkaar gestapeld kunnen worden. We vinden het prachtig en klimmen er meteen in.
Tante Rie, die elke dag komt om mijn moeder te helpen, blijft nu ook slapen. En tante Dora komt er bij.
We hebben een grote en vooral hele lange tuin, daar is nu een mooie stevige wip in gezet en ook twee grote schommels met een rekstok; een zandbak hadden we al.
Helemaal achter in de tuin, waar de appelboom staat en waar een apart hekje voor staat waar frambozen achter groeien, staat nog een hele oude ijzeren badkuip. Er staat water in als het geregend heeft, maar daar mogen we meestal niet spelen. Dat geeft niet want we gaan vaak naar de hei of de duinen, waar we kunnen hollen en hutten bouwen, heerlijk is dat. We vermaken ons best.
Zo gaat de zomer van 1943 voorbij!
Dat najaar is er nog een incident waar ik schuldig aan ben.
Naast ons woont het gezin van de melkboer, hun vader is meestal met de melkwagen weg. Ze hebben vijf kinderen, die spelen vaak bij ons, vooral de oudste, Marietje. Zij is iets jonger dan ik en we spelen vaak kappertje.
Marietje heeft prachtig lang krullend haar dat je zo om je vingers in pijpekrullen kunt kammen. Maar op een dag hebben we een echte schaar en ze wil perse dat ik haar haren echt knip en ............. dat doe ik.........
Alle krullen, op één na die nu eenzaam op haar rug hangt. Moes is woedend, de buurvrouw huilt dat ze nog liever had gehad dat ik haar zondagse jurk in stukjes had geknipt en dat Marietje nu voor straf zo moet blijven lopen. Mijn moeder probeert de buurvrouw te troosten en zegt dat het van de jurk zonde zou zijn geweest, maar dat de krullen er vanzelf wel weer aangroeien. Maar de buurvrouw is ontroostbaar en Marietje mag voorlopig niet meer bij ons spelen. Iedereen is nu kwaad op mij. De melk is namelijk op de bon en bij de buren staat een grote melkbus met melk in de keuken waar een maatkan met een haak aan hangt en daar mogen wij wel eens van drinken, zo uit die kan. Dat is nu ook even voorbij. Na een poosje kan Moe de buurvrouw er gelukkig van overtuigen om die ene lok op de rug van haar dochtertje er ook maar af te knippen. Marietje is allang blij want het kammen 's morgens is nu een stuk makkelijker. En nu is gelukkig voor mij het zichtbare van mijn euvele daad tenminste verdwenen. En oogst ik toch wel ontzag voor mijn durf.
Het is kort daarna snel vergeten, want dan zorgen ook de jongens voor hilariteit. Voorzichtig over de schutting lopen of in bomen klimmen is heel gewoon. Maar ze hebben nu iets veel spannenders uitgedacht. Ze gaan naast elkaar op het balkon van de grote slaapkamer staan om te kijken wie het verst de tuin in kan plassen. Meestal staat er dan één op de uitkijk, want ze weten best dat dit heel ondeugend is. Maar op een middag als Moe eerder dan anders terugkomt van een bezoek aan Zonnegloren, worden ze op heterdaad betrapt bij deze sport. Moe is heel boos en geeft de jongens een enorme uitbrander. En ze moeten één voor één beloven dat ze zoiets nooit, maar dan ook nooit weer zullen doen.
De jongens zijn geweldig geschrokken en staan er met gebogen hoofden bij. Voor straf moeten ze tot het eten met hun gezicht naar de muur gaan staan. Maar ik geloof dat Moe dat expres doet, want dan kunnen ze niet zien dat ze eigenlijk moet lachen.
Het is ook best een zorg voor haar, want met elkaar kunnen we heel wat gekke dingen bedenken. En het is toch ook belangrijk dat ze regelmatig IJsbrand in Zonnegloren kan bezoeken. Bovendien ligt ook Henk, Moes jongste broer er. Over het algemeen hebben we het heel gezellig met elkaar. Vooral met feestdagen zoals bijv. met de Kerst. Dan logeren er ooms en tantes bij ons, een zus van onze vader, tante Gina, die kan heel mooi over God vertellen en met ons zingen. Ze is evangeliste en is in verre vreemde landen geweest. Ze vertelt anders dan Moe, daar luisteren we ook graag naar.
Met het kerstdiner hebben we konijn, we mogen zoveel als we willen. Dat is in deze tijd bijzonder, want er is niet veel meer te koop en er gaan steeds meer winkels helemaal dicht. Alles is schaars.
Wel zijn er steeds meer Duitse soldaten.
Er komen nog een joods broertje en zusje bij ons. En inmiddels zijn er ook een paar volwassen onderduikers in huis.
Moe kan ook best een beetje hulp gebruiken. Over al of niet joods zijn wordt nooit gesproken, dat kan niet voor de Duitsers, die wij het liefst rot moffen noemen, maar dat mogen we natuurlijk niet zeggen.
Er zijn soms ook bombardementen; als dat boven het vliegveld Soesterberg is, kunnen we dat zo over de hei zien. Midden op de hei staat de nieuwe R.K. kerk. We mogen van de pastoor in de kelder onder de kerk schuilen als er luchtalarm is. Maar Moe zegt dat God voor ons zorgt en dat we in de armen van God veiliger zijn dan in welke schuilkelder dan ook. We moeten proberen of we in onze eigen kelder onder de trap passen. Maar dat wordt een complete giller, want we zijn met veel te veel. Meestal staan we met z'n allen eerst in de gang voor de open voordeur te kijken. Als de deuren open blijven, springen de ramen niet. Dan gaat Moe achter het orgel zitten en begint liedjes van Johan de Heer te spelen en wij zingen dan allemaal mee.
Dat werkt zo aanstekelijk dat er ook mensen uit de straat bij ons naar binnen komen om mee te zingen. De mensen zeggen dat je bij Moe niet bang hoeft te zijn. Nou, dat wisten wij allang!

-.-.-.-.-.-.-


Na het eten vertelt Moe altijd hele mooie verhalen uit de bijbel. Dat kan ze zo goed, dan vergeten we dat we best nog wat meer hadden willen eten. Want we hebben vaak honger.
Ze vertelt dan verhalen over de Schepping en de Zondvloed, van Mozes en het beloofde land.
De lange tocht door de woestijn, de wonderen! Van de profeten. Het gaat allemaal voor ons leven. De verhalen van David en Goliath vinden we prachtig.

-.-.-.-.-.-.-


Als het goed weer is gaan we naar het bos om brandnetels te plukken. Dat lijkt gekookt een beetje op andijvie of spinazie. Molsla, dat zijn de jonge blaadjes van de paardebloemen, die zijn ook eetbaar maar wel een beetje bitter. Dat is welkome en vitaminerijke aanvulling op ons eten.
Als de slager voor de Duitsers heeft moeten slachten wordt er vlees naar ons toe gesmokkeld en dan hebben we feest.
's Zomers gaat het dan ook allemaal wel, ook al gebeuren er soms dingen die verstrekkende gevolgen hebben. Zoals die keer dat er twee kinderen in huis komen die, door de slechte omstandigheden, schurft blijken te hebben. Schurft is buitengewoon besmettelijk. Binnen de kortste keren hebben alle kinderen het, huiduitslag en een ontzettende jeuk. De dokter constateert met een deftig woord dat we scabies hebben en daar moet zalf voor uit Utrecht komen. Het is wel heel vervelend maar volgens de dokter goed met deze zalf te verhelpen. Moe gaat die zalf nu halen op haar oude rammel- fiets met massieve banden. Wij weten niet eens meer wat luchtbanden zijn. Het is al bijzonder dat er bij ons nog een fiets is, want zoals zoveel andere dingen zijn alle fietsen allang gevorderd. Maar Moe mocht deze oude rammelkast houden omdat haar zoontje in het ziekenhuis ligt. Vervoer is er allang niet meer en "Zonnegloren" is veel te ver weg om te lopen. Het is ongeveer vijfentwintig kilometer naar Utrecht zodat het al laat is als Moe weer terug komt. De volgende ochtend worden wij allemaal met de zalf inge- smeerd. Het is een vieze grijze zalf die ontzettend stinkt. Maar we hebben allemaal verschrikkelijke jeuk en daar helpt die zalf meteen tegen waardoor we niet eens zo erg protesteren. De zalf moet er 24 uur op blijven. De beste oplossing is inzalven, pyjama aan en weer naar bed. Er zijn vier meisjes en die mogen met elkaar in het grote tweepersoonsbed, twee aan het hoofdeinde en twee aan het voeteneinde met de voeten naar elkaar toe. De jongens gaan bij elkaar op de grote slaapkamer waar de stapelbedjes staan. De deuren mogen wijd open blijven staan. Wij, kinderen, maken dikke pret van dit ongewone gebeuren. We doen spelletjes, zoals: Ik zie ,ik zie, wat jij niet ziet. We zingen in koor alle liedjes die we kennen en dat zijn er heel wat want we zingen in die tijd eigenlijk heel vaak en veel. Moe begint meestal te zingen en dan volgt de rest vanzelf. Vaderlandse liederen, kampeeren wandelliedjes, gezellige kinderversjes en canons zoals: 'Vader Jacob' en 'De uil zat in de Olmen'. Ze kent er zoveel! Ook psalmen en gezangen, maar vooral de liederen uit de bundel van Johan de Heer, die galmen we. We hebben reuze lol en zingen steeds luider nu, ook ondeugende liedjes zoals:

    Op de hoek van de straat
    staat een enesbéjer.
    't Is geen man, 't is geen vrouw
    maar een farizeeër
    Met een krant in zijn hand
    staat hij daar te venten.
    En verkoopt zijn vaderland
    voor vijf losse centen.


En we blèren als we honger beginnen te krijgen overmoedig een kamplied:

    Honger, honger ! Honger, honger !
    Waar blijft 't eten, waar blijft 't eten
    Kom gauw, kom gauw
    want wij hebben honger

Achteraf gedacht moet dat voor Moe wel heel pijnlijk geweest zijn want ze vond het verschrikkelijk dat wij vaak weinig en slecht te eten hadden.
Als we uitgezongen zijn beginnen we te fantaseren over lekker eten. Dat is een geliefd spelletje. We bedenken wat we het aller lekkerste vinden en het liefst zouden willen eten. Dat gaat dan altijd over vet, veel en machtig eten.

De volgende dag is inderdaad alle uitslag weg en zijn we van de jeuk af en mag de zalf er afgewassen worden. Alle lakens die gebruikt zijn zitten onder die smerige grijze zalf. Dat is nu een ramp want linnengoed is schaars en moet dus zo snel mogelijk gewassen worden, evenals alle pyjama's. Maar hoe moeten we dat voor elkaar krijgen want we mogen maar een beperkte hoeveelheid water per dag gebruiken. De redding komt van het oude echtpaar dat tegenover ons woont. Wij noemen ze Adam en Eva omdat ze daar zo idyllisch wonen in hun kleine boerderijtje omgeven door dennebo men en een korenveldje, tegenover ons op de hei. Zij hebben een put en daar mogen we zoveel water uithalen als we nodig hebben. Wij zijn allemaal wel tot wat actie bereid na die lange dag in bed, want ziek waren we beslist niet. En dus mogen we helpen met een grote teil en een wasketel om water te halen. Dat geeft een heel gespetter en gespoel, maar dat kan gelukkig in de tuin. Het is zomer 1944. Nu moet ik er niet aan denken dat dit ook in de winter had kunnen gebeuren.

-.-.-.-.-.-.-


Op 8 november 1944 brengt mijn oom nog een onderduikertje bij ons. Het is een jongen van 10 jaar, iets ouder dan ik, dus hij hoort bij de 'groten'. Hij heeft al heel veel meegemaakt, het is allemaal niet gemakkelijk voor hem geweest, dat merken we wel. Maar al gauw doet hij gewoon met ons mee. We noemen hem Loeki, maar dat is niet zijn echte naam.

Onze school is nu gesloten, daar zitten de moffen in. We moeten nu helemaal naar Soestdijk, dat is meer dan een uur lopen. Maar we hoeven daar alleen 's morgens maar naar toe. We zitten vaak met onze jas aan in de klas vanwege de brandstof schaarste.
Als we 's middags weer naar huis gaan komen we over de Eng, dat is een heuvel met akkers en daar worden suikerbieten verbouwd. Daar zijn we dol op want die zijn lekker zoet. We schrapen met onze tanden de schil van de suikerbiet af, waar altijd nog wel wat zand aan zit en zeggen dan tegen elkaar: "Zand schuurt de maag". We hebben na zo'n ochtend op school en de lange wandeling reuze honger en laten het ons goed smaken en we voelen ons dan behoorlijk stoer.

-.-.-.-.-.-.-


Omdat er bijna geen toevoer van levensmiddelen meer is, is er een centrale keuken waar we de warme maaltijden moeten gaan halen. Dat zijn meestal stamppotten. Later vaak van een onduidelijke herkomst. Wij noemen het de 'gaarkeuken'.
Door het illegale werk, dat Moe doet, heeft ze voor de ondergedoken kinderen dubbele bonkaarten weten te krijgen. Dat helpt natuurlijk ook. Daarbij gaan we nu zo vaak mogelijk naar het bos om brandnetels te zoeken en ook paddestoelen. Moe weet precies welke eetbaar zijn, we moeten dan ook alles wat we vinden altijd eerst aan haar laten zien. Vooral de oranje cantarellen, die we soms vinden, hebben de voorkeur want die vinden we het lekkerste.

-.-.-.-.-.-.-


Er komen steeds meer beperkingen op onze vrijheid. Zo is er een avondklok ingesteld en mag er 's avonds niemand meer de straat op. Er is ook een verordening dat er geen enkel licht uit de huizen te zien mag zijn. Daarvoor hebben we nu zwart verduisteringspapier dat voor de ramen moet, 's avonds zodra we het licht aandoen, zodat er vanuit de lucht niets te zien is. Als het donker is kunnen we over de hei de zoeklichten zien, als die de lucht afspeuren. Ik weet nog goed dat nare gevoel van toen, als er vliegtuigen overkwamen. En dan het wachten of de sirenes zouden gaan loeien, want dat kon altijd een bomaanval betekenen.

-.-.-.-.-.-.-


Het is een strenge winter, het wordt steeds kouder. We gaan nu naar het bos om te sprokkelen en denneappels te rapen, om te stoken. Kolen zijn er niet meer en de turven die we hebben branden slecht. We hebben een noodkacheltje boven op de kachel staan dat heel zuinig brandt. In de keuken hebben we een fornuis waar ook brandstof in moet, want gas is er niet meer en vaak ook geen elektra. Met de fiets van Moe in de kamer en een oude dynamo kunnen we een lamp laten branden. Die lamp gaat heel zwak branden en flikkeren als er niet stevig wordt doorgetrapt. We hebben ook een knijpkat dat is een lantaarn zonder batterijen maar met een veer die dan heel stevig en regelmatig aangeknepen moet worden om licht te geven. Een kostbaar bezit in die dagen.
Als 's avonds de kleintjes naar bed zijn gaat Moe in een leunstoel zitten met de jongste van de kinderen, die dan nog op zijn, op schoot. De anderen allemaal dicht om haar heen vlak voor het noodkacheltje. Dan vertelt ze ons verhalen over vroeger, toen ze nog een kind was, waar we vaak om moeten lachen. Of spannende verhalen die ze zelf verzint.
Als ze een verhaal begint met: 'Eens heel, heel lang geleden..... toen ik nog een man was...!' dan zijn we muisstil, want dan komt er altijd een spannend verhaal vol heldendaden en avontuur. Sommige verhalen willen we steeds opnieuw horen, zoals bijv. het verhaal van neef Louis, dat ik natuurlijk nooit zo grappig kan opschrijven als Moe het vertellen kon.
Moe was toen zelf nog jong en woonde in Amersfoort, waar ze een nóg langere tuin hadden dan wij hier in Soest-zuid. Aan het eind van die tuin was een hekje dat op een laantje uitkwam. Op een mooie zonnige dag zat ze met haar vader en moeder en al haar broers en zusjes, (ze had 5 broers en 4 zusjes) in de tuin kersen te eten. Haar vader ging naar binnen en kwam even later met een uitgestreken gezicht weer naar buiten, maar nu met een zwart schortje, van Bertha hun trouwe dienstmeisje die ook wel van een grapje hield, om zijn hals gebonden en een omgekeerde po op zijn hoofd. Zo liep hij statig naar het groepje kersen-etende kinderen, die brullend van het lachen naar hem wezen en riepen: "Kijk Pa, die doet neef Louis na!".
Nu moet je weten dat neef Louis een heel stijve heer was die minstens twee keer op een zondag naar de kerk ging en waarvan beweerd werd dat hij niet eens wist wat voor kleur haar zijn vrouw had. Want ze moest haar muts van overdag onder de dekens verwisselen voor haar slaapmuts. En lachen vond hij een grote zonde. Dan komt het deel van het verhaal waar wij op zitten te wachten. En ja hoor, het tuinhekje piept en wie komt er achter de tuin in schrijden?. Natuurlijk neef Louis ! Waarop Moe's vader een vinger opheft en ernstig zei: "Foei kinderen, lachen is zondig". Waarna hij zich statig om- draaide en plechtig met de po op zijn hoofd weer in het huis verdween.

-.-.-.-.-.-.-



Ondertussen worden er grote keistenen op het noodkacheltje verwarmd die dan in plaats van een kruik in bed worden gelegd. Dat is heerlijk want het is bitter koud. 's Morgens staan de ijsbloemen op de ramen. De straten zijn zo glad dat er wel over geschaatst kan worden. In die dagen is er totaal geen verkeer en wij maken dan ook lange glijbanen vlak voor de deur midden op de driesprong. Daar is het lekker vlak en ruim.
Als Moe, de volgende ochtend, naar de overkant gaat om even te kijken hoe het met Adam en Eva is, loopt ze voorzichtig, uitkijkend om de glijbanen te vermijden. Maar de pastoor, die er ook aankomt, is zich van geen glijbaan bewust en stapt niets vermoedend de weg over. Wij staan er met een heel stel vanachter het raam naar te kijken en zien ademloos toe hoe de pastoor, met lange rok en al, onderuit dreigt te gaan. Maar Moe reageert zo snel dat ze hem nog net op tijd, van achteren, onder zijn armen op kan vangen. Moe is klein, maar heel stevig. Wat is dat een raar gezicht, die kleine Moe met de pastoor in haar armen. Nu zien we ze, elkaar steunend, samen verder schuifelen naar de wat veiliger stoep aan de overkant. Wij krijgen later te horen dat we daar, midden op de driesprong, maar geen glijbaan meer moeten maken. Dan wordt de as van het noodkacheltje en van het fornuis over de glijbanen gestrooid om die ongevaarlijk te maken.
Er valt ook heel veel sneeuw. Daardoor hoeven we nu helemaal niet meer naar school. Geen enkel kind heeft meer fatsoenlijke schoenen, dus lopen we op klompen. Als je daarmee door de sneeuw loopt, klont die pakkende sneeuw onder de klompen vast, zodat je die er steeds weer af moet schoppen om goed vooruit te kunnen komen. Maar dan gaan we wedstrij den doen wie de grootste klonten sneeuw onder zijn klompen kan krijgen zonder te vallen. Dat is leuk ! We maken natuurlijk ook grote sneeuwpoppen. Ook gaan we naar de duinen om met de sleetjes van de heuvels af te glijden. Daar maken we ook grote sneeuwballen. Door een sneeuwbal steeds door de sneeuw te rollen worden ze enorm. Dan gaan we met z'n drieën of vieren, met de armen om elkaar heen, er bovenop staan en stampen tot de grote sneeuwbal uit elkaar valt en wij door de sneeuw rollen. Dat is dolle pret! Maar we hadden het soms wel ontzettend koud als we dan nat en met tintelende handen weer thuis kwamen.

-.-.-.-.-.-.-


Laat op een avond, als wij allang op bed liggen, wordt er aangebeld. Nieuwsgierig gaan we boven aan de trap kijken wie daar is. Er staat een forse vrouw met een heel kleine baby voor de deur. Moe laat ze binnen. We horen de vrouw met een zware stem praten. Ze zegt dat ze de hele dag al gelopen heeft en dat ze een plek zoekt voor de baby en dat ze toen het woord "Vertrouwen" op ons huis zag staan en toen bij ons aangebeld heeft.
Ze mogen op de divan in de kamer slapen en Moe belooft dat ze de volgende dag zal zien wat ze verder voor ze kan doen.
Dan horen we de volgende morgen heel vroeg gerommel in de keuken. En dan blijkt dat het helemaal geen vrouw was gisteravond, maar een man, die zich nu in vrouwenkleren staat te scheren. Hij zegt dat hij verder moet en of de baby alsjeblieft mag blijven, waar Moe natuurlijk geen nee op kan zeggen. De man is dolgelukkig en verdwijnt zo snel hij kan.
Maar nu hebben wij er een probleem bij, de baby heeft melk nodig en de taptemelk, die wij krijgen, is beslist niet toereikend. Dus gaat Moe nu, soms met één van de anderen uit huis, de boer op om aan een beetje volwaardige melk te komen. Dat lukt niet altijd. Een enkele keer komt ze met heel andere dingen thuis zoals een zak aardappelen. Het geld dat door de Duitsers is ingevoerd is niets waard, dus ruilt ze van alles voor eten. Ook de postzegel verzameling en de viool van vader.
Één van de weinige keren dat ik Moe heb zien huilen was die keer toen de melk, met zoveel moeite verkregen en zorgvuldig voor de baby bewaard, was verdwenen! Dat was echt erg! Wie kon er nu zoiets doen?

-.-.-.-.-.-.-


Moe doet illegaal werk voor de 'ondergrondse', dat is een verzetsorganisatie. Onze slager en een juf van school horen daar ook bij. Dat wisten we toen natuurlijk niet. Als we een boek of een pakje mee moesten nemen en afgeven, was dat gewoon een boodschap. Niemand lette daarop. Ik heb veel later pas begrepen hoe belangrijk die boodschapjes waren.
De ondergrondse organiseerde die winter in samenwerking met het Rode Kruis, maaltijden in hotel Eemland voor kinderen die, zoals dat toen genoemd werd, extra voeding nodig hadden. En omdat wij nu een kinder huis zijn komen er een heel stel van ons in aanmerking om daaraan deel te nemen. Dat is een feest want eten is onderhand zowat het belangrijkste wat er is.
Letterlijk alles is nu op de bon, maar het komt nu zelfs voor dat we wel bonnen hebben maar dat er helemaal geen voedsel of textiel meer is! Zo klaagt de bakker dat er van het meel dat hij krijgt bijna geen brood meer te bakken is. Het brood is dan ook vies klef en grijs. Eerst kregen we minstens twee boterhammen per persoon per dag. Dat is nu soms nog maar een halve boterham voor ieder.

We zitten graag op het gezellige plekje voor het raam waar we, doordat we precies in het midden van de driesprong wonen, de hele weg over de hei af kunnen kijken.
Zo zien we op een middag drie Duitse soldaten die de weg aflopen. De middelste heeft een heel groot roggebrood onder zijn arm. Loeki, die buiten is, ziet het ook. Hij sluipt er achteraan ..... en hapt ineens in het brood! De soldaten draaien zich om ....., één heft zijn hand op om te slaan ....! Naast me hoor ik dat Moe haar adem inhoudt. Dan zegt één van de soldaten iets tegen de anderen. We kunnen niet horen wat er gezegd wordt maar we kunnen wel alles heel goed zien. De andere soldaten beginnen te lachen en die ene pakt het brood en geeft het aan Loeki. Die zich niet bedenkt en er nog gauw een grote hap uit neemt en vervolgens zo hard hij kan naar huis rent en het brood aan Moe geeft. Moe haalt nu opgelucht adem. De soldaten lijken het een goede grap te vinden en zijn inmiddels lachend doorgelopen.

-.-.-.-.-.-.-


Het is al een paar keer voorgekomen dat we door een bombardement worden overvallen als we onderweg zijn om het eten van de gaarkeuken op te halen. Dan duiken we in de dichtstbijzijnde greppel of sloot.
De jongste schoolkinderen, die nog in Soest-Zuid naar school gaan en die vanwege de kou met hun jas aan in de klas zitten, moeten zodra de sirenes van het luchtalarm beginnen te loeien van de juf naar huis hollen en zo hard ze kunnen blijven rennen tot ze thuis zijn. De dreigende angst zorgt er wel voor dat ze dat ook doen. Moe staat dan al in de open deur op ze te wachten, ze kan de klompjes van een afstand al horen. De kleintjes kruipen weg achter haar rokken. En dan maar zingen, dat geeft ons een erg dapper gevoel.
Op een dag zijn er parachutisten die boven Soesterberg uit vliegtuigen springen en die heftig beschoten worden. We zien de vliegtuigen draaiend, brandend en rokend naar beneden komen. Het is een angstaanjagend gezicht. We staan er met z'n allen met ontzag naar te kijken. Maar als kinderen staan we er niet al te lang bij stil. Na zo'n luchtaanval gaan we dan ook heel nuchter naar vliegtuigglas zoeken, want dat kan je zo goed als brand-glas gebruiken en dat is reuze spannend. Al gauw blijkt dat het ook niet ongevaarlijk is want op die manier veroorzaken we al spelend brand op de hei. Gelukkig worden we wel in de gaten gehouden en is de brand snel geblust. Maar de pastoor heeft er nog wel wat over te zeggen, want zijn kerk had wel af kunnen branden.
Diezelfde kerk krijgt het nogmaals zwaar te verduren als er tijdens een lucht aanval een vliegtuig zó laag over ons huis komt in de richting Soesterberg dat we automatisch allemaal bukken. De schrik is compleet als het vliegtuig het windhaantje boven op de toren van de kerk, recht tegenover ons huis, raakt. Een eind verder op de hei wordt de windhaan terug gevonden. Wij zijn, zoals de meeste kinderen, erg nieuwsgierig en gaan natuurlijk kijken. Wat is zo'n ding zwaar en groot van zo dichtbij. Maar we mogen er niet aankomen en worden weggejaagd.
Als gevolg van de vele gevechten rond het vliegveld, liggen er her en der verspreid wrakstukken in de duinen waar wij kinderen graag in gaan spelen, want het is natuurlijk reuze interessant om die aan een nader onderzoek te onderwerpen. Dat mogen we eigenlijk niet want dat kan erg gevaarlijk zijn maar dat beseffen wij niet zo. Tot we vermoeden dat de vlooien en hoofdluis die we opeens allemaal hebben dáár weleens vandaan kon komen. Het wordt een ware plaag waar iedereen last van krijgt, vooral de meisjes met lang haar. We worden iedere dag met de stofkam bewerkt en we mogen alleen nog maar met strak gevlochten haar rondlopen omdat de luizen dan minder makkelijk over springen, volgens Moe. Onze hoofden worden met petroleum behandeld zodra dat beschikbaar is. Dat is echt een paardemiddel en afschuwelijk om te moeten ondergaan, maar andere bestrijdings- middelen zijn er niet.
De vlooien vermenigvuldigen zich snel en dat leidt tot wedstrijden wie de meesten kan vangen. Zie je ons zitten, met een bakje heet water waar we de vlooien in kunnen verzuipen die we met onze rappe kleine vingertjes vangen?! Wat ook wel helpt is de dekens en kleren tijdens de strenge vorst buiten hangen en goed uitkloppen. En dan de boel met Argus-ogen in de gaten houden.
De duinen zijn nu voorlopig verboden gebied voor ons, maar nu ook omdat er overal soldaten zijn.

-.-.-.-.-.-.-


Als er razzia's zullen worden gehouden worden we door de ondergrondse getipt. Dan worden de onderduikertjes naar "Statum" gebracht. Dat is een ander kinderhuis waar tante Plony, een zuster van Moe, werkt. Als het gevaar geweken is komen ze weer terug. Maar de Duitsers beginnen argwaan te krijgen en houden nu soms heel onverwachts zo'n zoekactie. Zo staan op een dag plotseling twee soldaten bij ons op de deur te bonzen. Moe moet ze binnen laten. De grootste en oudste is heel ruw en stampt met zijn laarzen zomaar ons huis door. Hij gooit van alles overhoop, trekt alle deuren open en steekt met zijn bajonet in de kasten en door de bedden. De andere soldaat blijft bij Moe en ons in de kamer. Vooral Mark is heel erg bang en vraagt met een bibberstemmetje aan Moe: "Gaat die meneer me nou doodschieten?". Maar Moe zegt: "Natuurlijk niet jongen, die meneer heeft zelf kleine kindertjes". Dan blijkt dat deze jonge soldaat inderdaad een dochtertje heeft.
De andere Duitser roept Moe met een snauw om naar boven te komen. Boven staat die ruwe kerel bij de deur voor de zoldertrap en sommeert Moe die deur onmiddellijk open te maken. Die deur is altijd dicht omdat de trap naar de zolder zo stijl is, maar hij is niet op slot, hij klemt alleen maar. Moe gooit de deur zonder te aarzelen wijd open. Nu ziet de soldaat de smalle, stijle trap en heeft er ineens geen zin meer in, hij roept de jonge soldaat en samen verdwijnen ze. Zo een opluchting moet met z'n allen gedeeld worden, maar waar is Kitty? Dan blijkt dat Kitty in doodsangst naar de zolder was gevlucht en daar nog steeds bang in een hoekje zit te bibberen. Nu denk ze dat Moe haar wil verraden, maar dat is natuurlijk niet zo. Moe zegt dat ze dolblij is dat ze niet geweten heeft dat Kitty naar boven was gegaan, want dat ze dan nooit die deur zomaar open had durven doen en dat die soldaat dan vast weer achterdochtig was geworden en beslist op zolder zou hebben gekeken.
Zo loopt er wel vaker iets op het nippertje goed af, zoals die keer dat er weer een hele strenge razzia was. Veel soldaten waren al ruwer geworden omdat ze niks konden vinden. Er werd zelfs beddegoed en de inhoud van kasten naar buiten gegooid. Het was echt een levensgevaarlijke situatie als er ergens onderduikers waren en bij ons zaten er maar liefst 7 !
Bij de buren zat een oud joods echtpaar en twee huizen verder zaten twee Engelse vliegeniers. Niemand kan dan ook de opluchting beschrijven die er was toen er verzamelen werd geblazen, net vóórdat ons stuk straat aan de beurt was. Moes' geloof in God is haar grote kracht en ze was ervan overtuigd dat Hij hiermee speciaal voor ons (en de buren) gezorgd heeft. En het sterkt zeker ons vertrouwen.

-.-.-.-.-.-.-


We zijn al vaker door het oog van de naald gegaan :
met de razzia's, de periode dat Mark zo ontzettend ziek was, en dat er toch steeds weer wat te eten was.
Maar dat met Moe lijkt extra bijzonder. Ze heeft vaak last van gal aanvallen. Eigenlijk moet ze voor galstenen geopereerd worden, maar ze kan onmogelijk gemist worden.
Dan op een avond, tijdens een gebedsdienst, zoals die regelmatig bij ons aan huis werden gehouden, krijgt ze weer zo'n aanval. Moe is beslist niet kleinzerig maar nu kreunt ze van de pijn. Soms kan zo'n aanval bedwongen worden met warmte maar nu heeft ze zich al te lang ingehouden en ze kan met moeite in bed komen. Als vanzelfsprekend wordt er meteen, ter plekke voor haar gebeden! De pijn neemt sneller af dan gewoonlijk en het is, zoals later zal blijken, de allerlaatste galaanval geweest. Zelfs, zoals langzaam maar zeker duidelijk wordt, na het eten van voor haar voorheen streng verboden dingen zoals kool en vet!
Ziekte is volksvijand nummer twee!
Er moet dan ook extra over gewaakt worden dat we gezond blijven, daarom krijgen we elke avond een lepel levertraan. Op een enkele uitzondering vinden we dat ontzettend vies! Maar Moe is daar reuze streng mee.
Het is een ramp als Moe zelf iets overkomt want zij is de spil waar alles en iedereen om draait. Maar op een dag wordt ze letterlijk geveld en ligt ze met hoge koorts op bed. Als de dokter komt, constateert hij dat ze bloedvergiftiging heeft, waarschijnlijk veroorzaakt door de beet van een oorwurm in haar hiel. Ze wordt steeds zieker. De dokter komt elk uur kijken. Op een gegeven moment zegt hij dat er iemand gewaarschuwd moet worden want als het zo doorgaat wordt het echt gevaarlijk wordt. De grillige rode streep op Moes been is al boven haar knie en als die oploopt tot haar lies gaat ze dood! Niemand weet goed wat te doen. Dan vraagt Moe om potlood en papier en schrijft beverig dat ze heel erg ziek is. De dokter schrijft er iets bij en stuurt Loeki en mij naar broeder Isings. Wij zijn de oudste kinderen die op dat mo- ment thuis zijn. Broeder Isings is een vriend van de familie, een wat oudere statige man die de gebedsdiensten leidt en waar de volwassenen elkaar broeder en zuster noemen. Hij heeft in Israël gewoond en tekent prachtige bijbelse voorstellingen.
We hollen de hele weg en komen hijgend bij het huis van de familie Isings aan. Er wordt opengedaan door een van de volwassen dochters die wij tante noemen. Ze leest het briefje, dan mogen we binnenkomen en we krijgen in de keuken, waar we even moeten wachten, wat te drinken. Al gauw komt ze terug en zegt: "We zullen met z'n allen voor je moeder bidden. Ga maar vlug weer naar huis. We sturen zo snel mogelijk hulp".
Op de terugweg hollen we niet meer zo hard omdat de klompen waarop we lopen zich aardig laten voelen, maar we willen wel zo gauw mogelijk weer thuis zijn.
Als we thuis komen zit Moe rechtop in bed! Het blijkt dat ze een half uurtje geleden begon op te knappen. Als de dokter even later weer komt is er van de rode streep bijna niets meer te zien. Hij snapt er niets van en zegt dat als hij het met zijn eigen ogen niet gezien had hij het niet zou geloven. Hij schudt maar met zijn hoofd en mompelt dat het onbegrijpelijk is.
De vraag of er nog wonderen gebeuren is voor ons buiten kijf, we hebben het nu toch immers zelf meegemaakt.

-.-.-.-.-.-.-


Het is laat in de middag, heel slecht weer en al behoorlijk donker, als er gebeld en tegelijk hard op de deur wordt gebonsd. Moe doet alleen het raampje in de deur open. Het zijn twee moffen. Ze willen zout! "Salz, voor de Kartoffeln."
Tot mijn stomme verbazing zegt Moe dat ze dat niet heeft. En dat we door die ellendige oorlog nauwelijks meer weten wat aardappelen zijn! Ze is heel boos en ze zei het in het Duits. Mijn verbazing wordt nog groter als de soldaten inderdaad weggaan. Het maakt mij ook bang, want ik heb mijn moeder nog nooit horen jokken. En dat deed ze nu echt, want we hebben een grote Keulse pot in de kelder waar nog een heleboel zout in zit. Maar Moe is al niet meer boos, eerder verslagen. Ik hoor haar tegen tante Rie zeggen dat zout het enige en laatste ruilmiddel is dat ze nog in huis heeft om aan melk te kunnen komen voor de baby.
Later heb ik begrepen dat de zoutwinningsgebieden al vanaf het begin van de oorlog bezet waren en dat zout daardoor meteen al schaars was. En dat het juist dat zout is dat ze met een soort vooruitziende blik in huis heeft gehaald. Het is trouwens ook het enige middel om het smerige gaarkeuken- eten een beetje eetbaar te maken. Eten dat steeds slechter wordt. Het gebeurt dat we soep hebben dat we afwaswater noemen, als ineens één van de kinderen roept: "Moe, het is erwtensoep, want ik heb een erwt!" Waarna een ander kind triomfantelijk constateert: "En ik had er twee!"
Maar het kan nog steeds erger. Want op een dag krijgen we alleen maar wat droge ongepelde haver van de gaarkeuken. De meestal opgewekte Moe klaagt; we zijn toch geen paarden!
Er is nauwelijks genoeg brandstof en de haver is niet gaar te krijgen, de brij blijft onverteerbaar.
Wat we wel hebben is levertraan en iemand komt op het idee om de haverbrij in levertraan te bakken. Maar de paar die dat durven te eten, worden daar zo beroerd van dat dat nog erger is dan honger!
Dan biedt het Rode Kruis uitkomst.
Gelukkig voor ons krijgen de ziekenhuizen en de kinderhuizen van het Rode Kruis nu de allerbelangrijkste levensvoorzieningen. Met een bakfiets komen ze langs. Nu is het weer feest. Want er was al sprake van dat het kleine geitje, dat we sinds kort hebben en waar we allemaal dol op zijn, geslacht zou moeten worden. Dat geitje was nog zo klein en zo lief, dat we die gedachten niet kunnen verdragen. We hebben het geitje van een boer gekregen, die we hadden geholpen.
-.-.-.-.-.-.-.-.-


5 maart 1945 komen er nog twee Joodse zusjes uit Rotterdam bij ons.
Het wordt gaandeweg wat minder koud en er groeit hier en daar weer wat.
Dan is er blijdschap alom, want de Zweden sturen wit brood en roomboter!
Moe zegt vaak: "Als de nood het hoogst is, is de redding nabij."
En nu dus dat wittebrood, dat boven Nederland gedropt wordt, dat is het gesprek van de dag! En een ongekend feest als wij daar ons deel van krijgen. Van het Rode Kruis hebben we zelfs suiker gekregen. Stel je eens voor ...... WIT BROOD ..... met echte boter én suiker!

EN DAN IS ER DE BEVRIJDING!

Oranje

Er zijn ineens oranje bloemen en lintjes. Iedereen omhelst iedereen. Er rijden grote tanks vol Canadezen en Engelse soldaten, Tommie's, langzaam over de straatweg, de burgers lopen er achteraan en klimmen op de tanks en mogen meerijden. Er wordt chocolade en kauwgom uitgedeeld. We vinden het eigenlijk doodeng, want we worden finaal onder de voet gelopen. We durven in al die consternatie niet meer zo ver van huis te gaan. De twee zusjes die als laatste bij ons zijn gekomen, worden als eerste, op 8 mei, weer opgehaald.
Alles wat de mensen hebben kunnen redden, komt tevoorschijn. Onder- duikers zijn weer vrij!
De radio die de hele oorlog onder een hoog bloementafeltje met een lang kleedje erover heeft gestaan, staat er nu weer gewoon bovenop en er komen, knetterend en krakend, allerlei berichten en muziek uit.
Maar voor ons kinderen zijn sommige dingen ook wel erg verwarrend. Want waarom doen de mensen nu zo gemeen tegen elkaar? We staan ernaar te kijken als er een jonge vrouw uit een huis wordt gesleurd en op een keukenstoel achterop een vrachtwagen wordt gezet. Een paar mannen houden haar vast en een ander scheert haar met een tondeuse helemaal kaal. En tot onze ontzetting wordt er ook nog verf op haar hoofd gesmeerd. De vrouw zit heel erg te huilen.
Het is verschrikkelijk en we hollen naar huis en dan zien we onderweg nog eens zo'n akelig schouwspel. Er wordt bij gelachen en gescholden. Ze beweren dat het slechte vrouwen zijn geweest.
Thuis vangt Moe ons op en troost ons. Ze zegt dat we nooit zomaar kunnen beoordelen of iemand goed of slecht is. "Iedereen zal met zijn eigen geweten moeten leven", dat geldt ook voor mensen die nu het recht in eigen handen nemen. Alleen God kan in ons hart kijken.

-.-.-.-.-.-.-.-.


Zo heeft de bevrijding veel, heel verschillende aspecten. Op een avond mogen we mee om naar het vuurwerk te kijken. Het is prachtig. En we hoeven niet bang te zijn zoals bij het afweergeschut. Als we weer naar huis gaan is het wel een beetje eng, want al die mensen dringen zo. Maar Moe en de tantes loodsen ons er goed doorheen, we zijn nog nooit zo laat op straat geweest!

Bijna alles is nog op de bon. Maar er is weer eten. Al zijn het soms wel andere dingen dan we gewend zijn.
We hebben bijv. van het Rode Kruis blikken met meelkoekjes gekregen. We vinden ze heerlijk, ze zijn lekker zoet. Maar veel kinderen krijgen er maag- of buikpijn van. Moe zegt dat het komt omdat de koekjes uitzetten. En nu worden ze geweekt in taptemelk en dan zwellen ze inderdaad behoorlijk op. Nou, we vinden de pap die zo ontstaat ook best lekker. Na het eten van die koekjespap, kun je weer voelen dat je verzadigd bent. Want de meesten van ons zijn hun maatgevoel een beetje kwijt. We zijn er niet meer aan gewend dat er zoveel is dat je "genoeg" kunt eten. Maar van lieverlee gaat het allemaal steeds beter.

Ook het vervoer begint weer op gang te komen.
En zo komt de man die de baby bij ons heeft gebracht, met twee rieten koffertjes vol aardbeien. Dat wordt die dag smullen en genieten!

Moe vertelt die middag op verzoek voor de zoveelste maal het verhaal van de Poepton.

    Ofwel .............. De tonnebaas.


Toen Moe nog een klein meisje was, waren er nog geen doortrek-closets, zoals wij die nu kennen. Maar de mensen hadden, vaak achter in de tuin, een huisje met een grote ton, die op gezette tijden door de tonnebaas werd geleegd.
Grootvader had een juwelierszaak en in diezelfde straat was nog een juwelierswinkel.
De tonnebaas was lang niet zo opgewekt als anders. Dus vroeg grootvader of hem iets scheelde. De tonnebaas zei dat hij een groot probleem had, waarop grootvader zei: "Kom op man, zo groot kan dat probleem van jou niet zijn, vertel het me maar." Maar dat durfde de tonnebaas niet. Nu mocht hij grootvader erg graag en na wat heen en weer gepraat, kwam hij dan toch voor de draad met zijn probleem. Die concurrent had tegen hem gezegd dat hij een rijksdaalder zou krijgen als hij de ton voor grootvaders winkel leeg zou gooien. En een rijksdaalder was héél veel in die tijd. Daar had grootvader best begrip voor en hij zei: "Nou beste man, je krijgt van mij 2 rijks- daalders als je per ongeluk de ton voor de verkeerde deur laat vallen."
En zo is het gebeurd, vertelt Moe plechtig, zonder een spier van haar gezicht te vertrekken. En wij stellen ons het heel levendig voor hoe dát geweest moet zijn! En ondertussen smullen we genietend van de aardbeien.

-.-.-.-.-.-.-.-.-


Ons leven is spannend.
We gaan op straat peuken zoeken om daar weer sigaretten van te maken. Dit doen we uiteraard stiekem. Sommige militairen gooien wel een halve sigaret weg. Dat is toch zonde, we hebben inmiddels geleerd om de kleinste dingen te benutten. En een stiekem sigaretje behoort zo, vooral voor de jongens, tot de mogelijkheden. Of we ruilen ze voor kauwgom.

-.-.-.-.-.-.-.-.-


Via de scholen worden de kinderen ook ingeschakeld bij de wederopbouw. We worden dan bij de scholen met een open vrachtwagen opgehaald om op het land te helpen. Vooral boontjes plukken is leuk. Het lijkt wel of het dan altijd mooi weer is! Er wordt een grote optocht georganiseerd van met bloemen versierde fietsen en karretjes voor de kinderen, waar wij allemaal aan mogen meedoen.
En als de koninklijke familie weer terug is en de prinsessen weer op paleis Soestdijk wonen, mogen alle kinderen van de lagere scholen van Soest en Baarn op een groot feest in de paleistuin komen. Dat heeft een hele voorbereiding tot gevolg. Want als je bij de Koningin en de prinsesjes op bezoek mag, moet je goed te voorschijn komen. De grootste zorg zijn de schoenen ..... Er komen 11 kinderen in aanmerking om mee te gaan! Het lukt Moe, op één uitzondering na, voor ons allemaal een paar schoenen of sandalen (of kleppers: houten zolen met linnen bandjes voor de meisjes) op de kop te tikken. Maar voor Wim lukt het niet, wat ze ook probeert, en een jongen kan onmogelijk op kleppers lopen. En het zou toch al te erg zijn als hij alleen daardoor niet mee zou kunnen. Dus worden zijn klompen heel secuur geschuurd en gewit.
Het feest is geweldig. Eerst de optocht met vlaggen naar Soestdijk en dan limonade met koekjes in de tuin van het paleis. Beatrix en Irene zijn gastvrouw en doen tussen alle kinderen mee aan de kringspelletjes: witte zwanen - zwarte zwanen, schipper mag ik over varen, enz.
Als prinses Irene al een poos in onze groep meespeelt, komt er iemand die tegen haar zegt, dat ze nu ook weer eens naar een andere groep moet gaan. Maar dan zegt Irene: "Nee, ik wil met die jongen met houten schoenen spelen." Die klompen hadden blijkbaar indruk op haar gemaakt.
Wat toen op mij de meeste indruk maakte, was dat de prinses zomaar nee zei tegen een volwassene.
We zullen nog heel wat defilées tijdens Koninginnedagen in de tuin van paleis Soestdijk meemaken, maar nooit meer zo indrukwekkend als toen met de bevrijding!

Die zomer van 1945 gaan we ook op zoek naar een groter huis, want de behoefte aan kinderopvang is groter dan ooit. Er zijn kinderen waarvan de vader is gesneuveld of opgepakt en niet meer terug is gekomen. En moeders die moeten werken en niet voor de kinderen kunnen zorgen.
Door de onderduikertjes hebben we een zekere bekendheid gekregen. Moe is verpleegster geweest en heeft diploma's voor kinderverzorging, ze is dol op kinderen en zo kunnen we het hoofd boven water houden. Maar een gewoon woonhuis, zoals we nu bewonen, is op den duur niet geschikt voor ± 20 of zelfs meer kinderen. Dus gaan we regelmatig op de fiets huizen bekijken. Reuze spannend. Maar het valt wel vaak tegen. Soms is zo'n huis gewoon te duur. Maar meestal te oud en te verwaarloosd. Veel grote huizen zijn volledig door soldaten uitgeleefd. We gaan zelfs naar het kasteeltje op de Eng kijken. Maar dat is weer veel te luxe. In de hal is een immens grote spiegel en er hangt een prachtige kristallen kroonluchter. Moe zegt alleen maar: "Eén voetbal .....! Ik zou geen rustig moment meer hebben."
Dan zijn er twee villa's onder één kap, waarvan de tussenmuur doorge- broken zou kunnen worden, maar dat is het ook niet helemaal. Dan komen we in Baarn terecht. Er is een huis dat heel kasteelachtig is, want er zijn een toren en kantelen bij de gedeelten waar een plat dak is. Over drie verdiepingen verdeeld zijn er 39 kamers, met serre's en balkons. Er is een grote kolenkelder en onder de enorme keuken met bijkeuken een provisie- kelder met een gewelf. Het hoeft niet gekocht, het kan gehuurd worden. We vinden het prachtig. Maar er moet wel over nagedacht worden. Er zijn weliswaar 4 schitterende marmeren W.C.'s met fonteintjes en veel vaste wastafels, maar er zijn geen badkamers en er is geen warm water. Dan is er nog een niet te verwaarlozen punt. De tussenverdieping wordt bewoond door bejaarden! En die moeten kunnen blijven, zolang ze dat verkiezen, eventueel tot hun dood. Waarschijnlijk daardoor is het aanbod toch aantrekkelijk en Moe waagt het er op. Het huis biedt ook zonder die verdieping voorlopig genoeg ruimte.
En zo verhuizen we op 14 april 1946 van Soest naar Baarn.
Huis
Er moet heel wat gebeuren. Er worden 2 badkamers gemaakt en er komen verscheidene boilers. De kleine houten stapelbedjes blijven in gebruik voor de kleuters. Moe kan van het leger stapelbedden overnemen (gewoon eenpersoons, twee boven elkaar) met matrassen en dekens.
Moe, die heel mooi kan tekenen, versiert de verschillende kamers met sprookjes. Zo tekent ze voor de kleinejongens-kamer de moderne sprook- jesfiguren van Tom Poes en Pinokkio enz. Voor de grote jongens worden vliegtuigen en boten getekend. Voor de meisjes Sneeuwwitje en de 7 dwergen, Roodkapje en de wolf, Repelsteentje enz. En later tekent ze de bloemenkinderen in de speelkamer. Op de babykamer komt een schaap met lammetjes, kalfjes, veulens, konijntjes en een kip met kuikens, want we hebben nu ook een babykamer.
Het komt nogal eens voor dat de zogenaamde bevrijdingsbaby's een poosje een plekje moeten hebben, omdat de ongehuwde moeders er niet altijd zelf voor kunnen zorgen.
En zo ontstaan er verschillende groepen. Het blijkt dat kinderen en oude mensen heel goed samengaan.
Er is een grote hutkoffer met hele ouderwetse kleren: lange kanten onderrokken, hoeden met veren. Wij vinden het prachtig om ons daarmee te verkleden en ons dan door de bejaarden te laten bekijken. Moe vindt het oogluikend goed, zolang we het maar niet te vaak doen, eerst aankloppen en heel beleefd zijn. Op één heer na, zijn het allemaal dames, die het best leuk vinden. Op de grote balkonkamer woont een mevrouw, die een opgezet hertje heeft in een glazen vitrine, daar mogen we dan even naar kijken. En wat voor ons natuurlijk ook heel aantrekkelijk is, we krijgen meestal een snoepje. Snoep is in die tijd niet zo vanzelfsprekend. Er wonen ook twee dames, waarvan de één een pijp en de ander grote sigaren rookt! Daar staan we echt met open mond naar te kijken. Maar langzaam maar zeker verdwijnen de bejaarden en groeit het aantal kinderen.
Naast de schommels, wip en zandbak zijn er nu ook kippen voor het keukenafval en er is een konijnenberg.
De onderduikertjes zijn weer naar huis of hebben ergens een plekje gekregen. Loeki, die Ruben blijkt te heten, is in juni 1946 naar Israël gegaan, waar hij volwassen broers heeft, die ons toen een grote kist met sinaasappelen hebben gestuurd.

-.-.-.-.-.-.-.-.-


Ik hoop dat het al deze kinderen goed vergaan is.
Moe is op 7 december 1963 overleden.
Met Ruben heb ik in februari 1994 weer contact gehad. Op zijn verzoek heb ik dit verhaal over (en voor) Moe geschreven.

Lidia
nederlandVoor "onze Moe"

top